Elke maand schrijft onze directeur Ewout van der Horst een blog met Deventerse verhalen.
Met mijn gezin maakte ik deze zomer een enerverende reis door Ghana. We hebben volop genoten van warme gastvrijheid, culturele verscheidenheid en afwisselende landschappen. Van palmrijke stranden, ongerept regenwoud, uitgestrekte moerassen en rustiek laaggebergte tot het grootste stuwmeer van West-Afrika – Ghana heeft het allemaal. Het land is geen uitgesproken toeristische bestemming – we zijn amper andere witte mensen tegengekomen! – en toch kom je overal (historische) Europese relaties tegen.
De meest confronterende plaatsen van herinnering liggen her en der langs de kust in de vorm van Europese forten van waaruit honderdduizenden Afrikanen naar Amerika zijn verscheept. De belangrijkste Nederlandse vesting was Elmina, centraal aan de kust, waar we rondgeleid werden samen met zwarte Amerikanen en lokale toeristen. De fraaie kustlijn en de vriendelijke bevolking van het vissersplaatsje staan in schril contrast met de verhalen over voedselverdeling via gaten in het plafond, verkrachtingen van vrouwelijke gevangenen en de wrede afvoer van menselijk handelswaar.
Ooit meerde hier slavenschip ‘Deventer’ aan, dat mede met geld van bestuurders en middenstanders uit onze stad op mensenjacht is gestuurd. Een bezoek aan een slavenfort roept vergelijkbare emoties op als bij een bezoek aan een Duits concentratiekamp. Zo mensonwaardig. Een kerker voor vrouwelijke slaafgemaakten ligt pal onder de voormalige kerkzaal, waar de vrome lieden van de West-Indische Compagnie met hun psalmen het gekerm van de vrouwen overstemden.
Het tijdperk van geroofde grondstoffen en mensenlevens aan de Goudkust ging in de negentiende eeuw over in de periode van koloniaal bestuur. De Nederlanders verkochten hun forten aan de Engelsen. Het laatste koninkrijk van de Ashanti werd met geweld onderworpen. In de voormalige hoofdstad Kumasi is nog te zien hoe de Europeanen korte metten maakten met de trotse Ashanti en evengoed hun christelijke geloofsovertuiging aan de Ghanezen opdrong.
Economisch bleven de Nederlanders een graantje meepikken. De Nederlandse textielindustrie had de beroemde batikdoeken uit hun eigen Indische kolonie nagemaakt, maar vond daar op Java amper afzet voor. In Ghana bleken de doeken wel in een behoefte te voorzien, zeker toen ze van lokale patronen werden voorzien. Textielfabriek Ankersmit uit Deventer was een koploper binnen deze markt. Een deel van hun productie en patronen is na het faillissement overgenomen door het Helmondse bedrijf Vlisco. Op een van de grootste markten van West-Afrika in hartje Kumasi zijn deze Nederlandse imitatiestoffen nog volop te koop. ‘Best quality’, wordt ons verzekerd.
Ons landje is geen onbekende naam in Ghana, mede vanwege het immens populaire voetbal en de vele Ghanezen in Nederland. In het kader van ontwikkelingshulp, tegenwoordig ‘duurzame economische ontwikkeling’ genoemd, werken beide landen al vele tientallen jaren samen. Her en der kun je de resultaten van min of meer geslaagde ontwikkelingsprojecten tegenkomen. Typerend is het kaarsrechte kanaal dat door het moeras is aangelegd richting Nzulezu, een oeroud dorpje op palen in West-Ghana. Dankzij het kanaal is het dorpje nu het hele jaar door voor toeristen makkelijker bereikbaar. Het resultaat met tientallen bootjes vol nieuwsgierige scholieren en andere Ghanezen roept associaties met verpest Giethoorn op – hoewel Nzulezu een ervaring op zich blijft.
En de Ghanezen zelf? Die zijn niet met geschiedenis of erfgoed bezig, alleen met hun toekomst. Het trotse land werkt vol overtuiging aan nieuwe wegen, scholen en fabrieken om opgelopen achterstanden weg te werken. Het slavernijverleden, de koloniale uitbuiting of economische afhankelijkheden staan enkel in dienst van de glorieuze onafhankelijke republiek. Akwaaba – you are welcome!